De
Baars
In
Nederland en België is de baars algemeen, al heeft hij
van te sterke waterverontreiniging te lijden. In troebel water
heeft de soort geen goede levenskansen, omdat hij zijn prooi
moet zien om deze te kunnen vangen.
De
rugvinnen zijn gescheiden, nagenoeg zonder tussenruimte. De
eerste rugvin heeft 13-17 harde vinstralen, de tweede rugvin
heeft 13-16 weke stralen. Op de kieuwdeksels bevindt zich
een lange stekel. De kleur van de rug is bruinachtig groen,
aan de zijden geelachtig, aan de buik wit met gouden weerschijn.
Over de flanken lopen naar de buik 6-9 donkere verticale banden.
Het einde van de eerste rugvin draagt een zwarte vlek. De
borstvinnen zijn geelachtig bruin, de anale vin is meestal
rood. De kleurtekening vertoont nogal wat variatie. Er komen
zelfs goudkleurige exemplaren voor. Lengte tot 40 cm, zelden
groter, maximale lengte is 60 cm.
De
paaitijd (zie paaien) valt van maart tot in mei. De eieren
worden in snoeren vastgehecht aan stenen, waterplanten en
takken in vrij ondiep water. De voeding van de jonge baarzen
tot 5 cm lengte bestaat uit dierlijk plankton, watervlooien,
aasgarnalen en muggenlarven (zie muggen). Boven de 5 cm neemt
het plankton als voedselbron snel af en word er naast insecten
en slakken vooral vissen gegeten. Boven 15 cm lichaamslengte
eten de baarzen nog bijna uitsluitend vissen. Bij grote individuen
komt kannibalisme voor. Bij overbevolking in sloten en vaarten
kunnen baarzen op kleinere lengte geslachtsrijpheid bereiken
dan in open water. In open water jagen baarzen in schoolverband
en krijgen voldoende prooivissen te pakken. In sloten en begroeide
vaarten is de ontsnappingskans voor de prooivissen veel groter,
waardoor de baarzen onvoldoende eten.
Daar
het vlees zeer goed smaakt, is de baars belangrijk voor de
sport- en beroepsvisserij. De wettelijke minimummaat is in
Nederland 22 cm; deze lengte wordt na ongeveer vijf jaar bereikt.
In België is de minimummaat vastgesteld op 18 cm. |