| Verschillende
Meeuwen

De
meest algemene meeuw gedurende het gehele jaar is de kokmeeuw,
38 cm, met een chocoladebruine voorkop. Hij is een zeer talrijke
broedvogel aan plassen, in moerassen en natte weilanden. In
de winter is hij in groot aantal aanwezig in de steden en aan
de stranden. De kokmeeuw is ook op de Atlantische kust van noordoostelijk
Noord-Amerika aangetroffen.
De
kleinere stormmeeuw, 41 cm, met donker oog, blauwgrijze
bovendelen en groengele poten en snavel, is daarentegen een
wijdverspreide broedvogel in de duinen. In het winterhalfjaar
is de soort vlak vóór en tijdens storm op akkers
en weiden meer in het binnenland te vinden; bij rustig weer
echter meer aan de kust en grotere wateren. De soort is doortrekker
en wintergast, terwijl de zilvermeeuw standvogel en zwerfvogelis.
In
klein aantal broedt langs de kust de kleine mantelmeeuw,
53 cm, en wel de ondersoort graellsii, met leigrijze mantel,
soms gepaard met de zilvermeeuw, in een zilvermeeuwkolonie.
Verder is deze ondersoort in klein aantal doortrekker, de ondersoort
intermedius, mantel donkerder dan graellsii, daarentegen in
vrij groot aantal.
Een
onregelmatige, vrij zeldzame broedvogel in Zuidwest-Friesland
en Zuid-Flevoland is de dwergmeeuw, 28 cm, met een zwarte
kop en nek en een zwartachtige vleugelonderzijde. Het voedsel
wordt van het wateroppervlak opgepikt. Hij jaagt al watertrappelend
boven het water.
De
zwartkopmeeuw, 39 cm, lijkt sterk op de kokmeeuw, maar
heeft een gitzwarte kop tot in de nek en heeft geen zwarte uiteinden
aan de vleugels. Overigens is de soort een schaarse gast.
Doortrekker
en wintergast, vnl. aan de kust en op het IJsselmeer, is de
grote mantelmeeuw, 74 cm, die een enkele keer ook wel
eens dieper in het binnenland wordt gezien. Volwassen vogels
hebben zwarte bovendelen en witroze poten; de kleine mantelmeeuw
heeft gele poten.
|