De
Snoek
Snoek,
de vissoort Esox lucius uit de familie Snoeken van de orde Snoekachtigen.
De snoek bewoont een groot gebied: Europa, Noord-Azië en
Noord-Amerika. In Europa ontbreekt de snoek in Spanje, Portugal,
Noorwegen, Zuid-Italië en Griekenland. De vis leeft vooral
in zoet water, maar kan ook in brak water voorkomen (bijv. Oostzee).
De mannetjes groeien minder snel dan de vrouwtjes en worden
maximaal 100 cm groot. Zij zijn doorgaans geslachtsrijp op driejarige
leeftijd, wanneer zij 25-40 cm groot zijn. De vrouwtjes bereiken
bij een lengte van 40-55 cm geslachtsrijpheid en zijn dan drie
tot vijf jaar oud. Zij kunnen maximaal 150 cm groot worden.
De voortplantingstijd ligt in maart tot mei bij watertemperaturen
van 2-12 °C. Bij voorkeur worden de eieren (ca. 15!000
tot 20!000 per kg lichaamsgewicht) afgezet in ondiep water.
Bij het paaien wordt een wijfje vaak door twee mannetjes gevolgd
en bevrucht. De larven, die nog geen bek hebben, hechten zich
tot zij 12 mm groot zijn met behulp van hechtorgaantjes voor
de ogen vast aan waterplanten, grassen e.d. Zij voeden zich
later met watervlooien, vislarven e.d. Grotere larven jagen
ook op kleinere soortgenoten. Volwassen snoeken loeren verborgen
tussen waterplanten op hun prooi, die zij met een korte snelle
spurt buitmaken. Hun prooi bestaat uit vissen, kikkers, waterinsecten
(zie insecten), jonge watervogels en ook wel waterratten en
woelmuizen. De snoek is een belangrijke 'sportvis'. Om de populatie
op peil te houden moeten gekweekte jonge snoeken worden uitgezet. |