| De
Spechten
De
familie Picidae uit de vogelorde Spechtvogels, die over bijna
de gehele wereld verspreid is. Er zijn 210 soorten, verdeeld
over drie onderfamilies: Draaihalzen, Zachtstaartspechten en
Eigenlijke spechten.
De
onderfamilie Eigenlijke spechten omvat 179 soorten, die zich
geheel hebben aangepast aan het leven op stammen en grote takken
van bomen en aan het bemachtigen van daarop of daarin verblijvende
insecten als voedsel.
De
meeste soorten kunnen zich over verticale oppervlakken in opgerichte
houding (dwz. met hun romp vrijwel evenwijdig aan dat oppervlak)
voortbewegen: zij hebben korte poten en klimvoeten met twee
tenen voor en twee tenen achter aan de voet, voorzien van scherpe,
kromme nagels; verder stutten zij zich met de staart, waarvan
de staartpennen een stijve, dus stevige schachthebben.
De
snavel is recht, hard en puntig en fungeert als beitel bij het
hakken in schors en hout. Verscheidene soorten trommelen met
de snavel in de broedtijd tegen dode takken e.d. Alle soorten,
behalve de grondspechten, hakken hun nesten in boomstammen:
een korte horizontale gang leidt naar een tot 30 cm lange verticale
gang, die uitkomt in de broedholte. De eieren zijn rond en glanzend
wit; de broedduur is kort.
De
ronde, lange tong, waarmee de vogels hun prooi uit diepe spleten
en gangen in het hout kunnen halen, kan bij vele soorten zeer
ver worden uitgestoken. De punt is verhoornd en voorzien van
borstels (als weerhaken), en is vaak bovendien kleverig. Het
geluid van de Spechten is meestal schel en is vaak een reeks
van roepen achter elkaar. Hun vlucht is langzaam en sterk golvend.
De
grote bonte specht, 23 cm, is een vrij talrijke broedvogel
in Nederland.
De
groene specht, 23 cm, is in Nederland een vrij algemene
broedvogel van loof- en gemengde bossen.
De
grootste specht is de zwarte specht, 46 cm, die in Nederland
een steeds talrijker broedvogel is.
|