| Zuiderzeewerken,
waterbouwkundige werken tot afsluiting en gedeeltelijke drooglegging
van de Zuiderzee, daarna gevolgd door de inrichting van polders
en zoetwaterbekkens.
Door
particulier initiatief werd in 1886 de Zuiderzeevereniging opgericht,
die ir. C. Lely aan zich verbond. Zijn plan vertoonde een aantal
nieuwe elementen: de Zuiderzee zou moeten worden afgesloten
voordat men zou kunnen overwegen ook de Waddenzee aan te pakken;
slechts een deel zou mogen worden drooggelegd; de rest moest
een binnenmeer worden, bestemd als zoetwaterreservoir, waarop
o.m. de IJssel zou kunnen afwateren. Door sluizen in de Afsluitdijk
zou het waterpeil van het IJsselmeer worden geregeld. Hoewel
een staatscommissie reeds in 1892 tot uitvoering van dit plan
adviseerde, duurde het tot 1918 voor een Wet tot afsluiting
en droogmaking van de Zuiderzee tot stand kwam. In sommige opzichten
was de voor de uitvoering benodigde kennis nog onvoldoende.
H.A. Lorentz berekende o.a. de stormvloedverhoging langs de
kust van Friesland en de te verwachten snelheden in de sluitgaten
van de dijk tijdens de uitvoering. De Dienst der Zuiderzeewerken
had de verantwoordelijkheid voor de waterbouwkundige werken
(die werden opgedragen aan een combinatie van vier grote aannemers),
de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders die voor de ontwatering,
ontginning en sociaal-economische opbouw.
|